Vóór de installatie
Bepaal de voedingsmethode, het netwerksegment, het statische IP-plan en de belastingen die op de relais zijn aangesloten. Controleer voor PoE of de switchpoort 802.3af/at ondersteunt; voor gelijkstroom: controleer het ingangsbereik en de polariteit van 7–28 V.
Eerste toegang
Gebruik de standaardnetwerkgegevens alleen op een vertrouwd, geïsoleerd installatienetwerk. Wijzig het beheerderswachtwoord, wijs een uniek IP-adres toe en noteer dit in de inventaris van bedrijfsmiddelen. Stel de beheerinterface niet rechtstreeks bloot aan internet.
I/O-naamgeving en -testen
Geef elke digitale ingang en relaisuitgang een duidelijke naam die de veldfunctie beschrijft. Test elk kanaal eerst onbelast en daarna onder gecontroleerde omstandigheden. Selecteer NO/NC/C-contacten op basis van de veilige toestand die vereist is wanneer de stroom uitvalt.
Overdracht en back-up
Noteer de firmwareversie, netwerkinstellingen, bedradingsschema en testresultaten. Bereid een configuratieherstelplan voor. Geef operators duidelijke instructies voor handmatige bediening, alarmgedrag en veilige uitschakeling.